Geschiedenis (bron: Wikipedia)

In de achtste eeuw ging de gouw van Friese handen over in Frankisch bezit. Karel Martel veroverde Wieringen op de Friese koning Poppo in 734 en droeg het vruchtgebruik over aan de kerk van Sint Maarten in Utrecht. In de tijd van Karel de Grote lagen op Texel en Wieringen belangrijke domeinen. Er liep een handelsroute over het Vlie van Dorestad, via Medemblik en Wieringen naar Texel. De hoge delen van Wieringen waren dichtbevolkt. Met name rond Stroe bevonden zich tientallen hoeven. 

Een eerste aanval van de Vikingen op Fries gebied vond plaats in 810. Het aantal en de felheid van de invallen groeide vooral in de tweede helft van de negende eeuw. Door de vondst van een zilverschat in 1996 in een weiland bij het gehucht Westerklief is de aandacht gevestigd op het feit dat Wieringen in de 9e eeuw korte tijd uitvalsbasis is geweest van (Deense) Vikingen. De zilverschat bestaat uit circa 1,7 kg zilveren munten, sieraden en zilverstaafjes en is tegenwoordig in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden te zien. Enige jaren later werden nog enige kleinere zilverschatten uit dezelfde periode gevonden die het beeld bevestigden. 

Wieringen wordt opnieuw genoemd in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk uit het laatste deel van de negende eeuw, waarin de kerk onderbouwt welke goederen haar in de vikingperiode zijn ontnomen: 12 hoeven in Elft en 72 in Stroe. Ook de rechten en heffingen op visserij in het Almere en strandvondsten op Vatrop behoorden de kerk toe. 

Wieringen genoot een grote mate van zelfstandigheid, totdat de Hollandse graaf Floris III de Wieringers in 1184 onderwierp. Dat dit maar een beperkt effect had, bleek wel toen Floris V Wieringen in 1284 opnieuw moest onderwerpen. Als een van de laatste Noord Hollandse gebieden krijgt Wieringen in 1432 van gravin weduwe Margaretha van Cleve zijn stadsrechten

Tot in de middeleeuwen was Wieringen verbonden met het vasteland. Archeologische vondsten uit Wieringermeer en Amstelmeer tonen bewoning in deze periode aan. Ten gevolge van opeenvolgende stormvloeden rond 1200 werd Wieringen een eiland. De aanzet hiertoe werd gegeven door de Allerheiligenvloed van 1170 als gevolg waarvan het Marsdiep een zeegat werd en het Creilerwoud door de golven werd verzwolgen.

In 1425 kwam de boerenbevolking boven het IJ in opstand, met steun van Hoekse edelen en Jacoba van Beieren. Onder aanvoering van de Kennemer Baljuw Willem Nagel trokken de boeren via Haarlem en Medemblik naar Hoorn, waar ze werden verslagen en Willem Nagel sneuvelde. Wieringen kreeg voor zijn deelname aan deze opstand een grafelijke boete van 5000 kronen opgelegd. 

Het bleef echter onrustig. Overstromingen, zandverstuivingen, maar vooral ook zware belastingen zoals het ruitergeld, opgelegd om troepen te bekostigen, leidden ertoe dat er in 1491 opnieuw onrusten uitbraken onder de boeren in Kennemerland en West-Friesland. De opstandelingen hingen, ten teken van hun ellende, een stuk kaas en brood voor de borst, om aan te geven dat zij hier voor vochten. Met de inzet van roversbenden werd deze 'Kaas- en broodopstand' door de hertog Albrecht van Saksen neergeslagen. Wieringen kreeg een boete van 200 gouden Andriesguldens opgelegd, deelnemers aan de opstand moesten ongewapend, blootshoofds en barrevoets met wit stokje in de hand op de knieën bij stadhouder om vergiffenis vragen, die hen in 1492 werd geschonken.

In 1515 kregen de Wieringers van Karel de Vijfde het recht om te bedijken en heemraden aan te stellen. 

In het begin van de zestiende eeuw werd Wieringen bedreigd door Friese roversbenden, waaronder die van Grote Pier. In 1522 plunderen soldaten van Gelre het eiland. In 1572 werd het eiland door de Watergeuzen gebrandschat. In ditzelfde jaar raakte het schip van Geuzen aanvoerder Treslong vastgevroren voor Wieringen en werden 17 matrozen door Wieringers gedood. Hulp werd uiteindelijk wel geboden, nadat Treslong had beloofd geen wraak te nemen. Als bewijs van trouw aan de afspraak zou Treslong zijn zwaard de kerk van Oosterland hebben achtergelaten. 

Naarmate grotere delen van Holland ontgonnen en bewoonbaarder werden, nam het belang van het hoger gelegen Wieringen relatief af.

Wieringen is tijdens de VOC-tijd (1602 - 1799) het eiland geweest waar de schepen uit de Oost langsvoeren, op weg naar de havens van Amsterdam, Enkhuizen en Hoorn. Ter voorkoming van verspreiding van ziekten aan de wal, werden zieke zeelui in quarantaine gezet aan de westkant van Wieringen.

Vermoedelijk vanaf de 16e eeuw, in ieder geval tot aan de Franse tijd vormde het overladen van goederen van schepen van de grote vaart in kleinere, minder diep stekende schepen (de zgn. lichtschipperij) een belangrijke bron van inkomsten voor de Wieringer bevolking. De voltooiing van het Noordhollands Kanaal in 1824 maakte een einde aan deze bedrijvigheid. 

Om verspreiding van besmettelijke ziekten door matrozen meegebracht uit verre oorden tegen te gaan werden schepen al sinds de zeventiende eeuw voor Wieringen stilgelegd. Eventuele verpleging kon op het afgelegen eiland plaatsvinden, zonder vrees voor verdere verspreiding. In 1806 werd door Lodewijk Napoleon op het meest westelijke deel van Wieringen de zogenaamde quarantaine inrichtinggebouwd. Enkele barakken, een ziekenzaal en een beheerderswoning huisvestten de patiënten en de staf van deze voorzieningen. Na een halve eeuw is deze voorziening opgeheven en werden de gebouwen in gebruik genomen als kruitmagazijn. Bij de aanleg van de Amsteldiepdijk is het complex gesloopt. 

De latere geschiedenis van Wieringen wordt gekenmerkt door een voortdurende strijd met het water. Zo moest het eiland na een grote dijkdoorbraak op 16 februari 1683 een polder opgeven en had het als gevolg van de storm van 4 op 5 februari 1825 te kampen met grote wateroverlast. In 1848 werd het in 1683 verloren land weer op de zee veroverd door de inpoldering van polder Nieuwland, maar het zou tot begin 20e eeuw duren voor men de zee definitief meester werd.[3]

In de negentiende eeuw vond de bevoorrading van het eiland vooral plaats door de postboot, die voer vanaf Van Ewijcksluis naar De Haukes. Bij ijsgang was Wieringen soms langere tijd niet bereikbaar. In noodgevallen werd een ijsvlet, een open boot die over het ijs werd gesleept, naar de vaste wal getrokken om gevuld met voorraad weer naar Wieringen terug te keren. Een niet ongevaarlijke en zware tocht. 

Kort na de Eerste Wereldoorlog fungeerde het eiland Wieringen als ballingsoord voor de Duitse kroonprins Wilhelm. Deze was met zijn vader keizer Wilhelm II in november 1918 van Wallonië naar Nederland gevlucht en had hier politiek asiel gekregen. Op 22 november 1918 arriveerde hij op het eiland, en op 10 november 1923 vertrok hij naar Duitsland. In de tussentijd heeft hij bij de smid Jan Luyt in Hippolytushoef hoefijzers leren smeden.

Geen eiland meer[bewerken]

In 1924 kwam aan het eilandbestaan een einde, doordat op 31 juli het Amsteldiep samen met het Ulkediep werd afgesloten. De Amsteldiepdijk wordt ook wel de Korte Afsluitdijk genoemd. In 1930 kwam de oostelijke Wieringermeerdijk in de Zuiderzee tot stand, en daarmee de aangrenzende polderde Wieringermeer. De afsluiting van de Zuiderzee werd in 1932 voltooid door de grote Afsluitdijk, die Wieringen met Friesland verbindt. Deze dijk begint bij Den Oever.

Het was de bedoeling, dat na voltooiing van de dijk een spoorlijn Noord-Holland en Friesland zou verbinden (van Anna Paulowna naar Harlingen). Daartoe werd al rekening gehouden bij de aanleg van de Amsteldiepdijk. Omdat Wieringen in feite een grote keileembult is, die meters boven zeeniveau ligt, begon men voortvarend in de lengterichting van Wieringen, een kaarsrecht tracé voor de spoorlijn af te graven tot op het niveau van de beide afsluitdijken; dat keileem werd gebruikt om de Amsteldiepdijk mee aan te leggen. De spoorlijn kwam er niet, omdat de investering niet rendabel bleek. De sleuf voor de spoorlijn ligt er nog steeds en is goed te zien als men vanaf de Amsteldiepdijk Wieringen nadert. Een deel van het oorspronkelijke spoortracé is nu de basis voor de autoweg, die Wieringen in tweeën deelt.